`
20 juli 2017

ROB GRAAFLAND

De jaren 1875 - 1898

Jonkheer Robert Archibald Antonius Jean Graafland werd op vrijdag 26 november 1875 te Maastricht geboren. Zijn vader, Johan Graafland, was commissionair-bankier en eveneens een heraldicus die twee geïllustreerde boekwerken publiceerde: Limburgsche Wapens (1) in samenwerking met J.M. van der Venne en L. Pilet, en Encyclopédie Héraldique / Heraldische Encyclopedie (2), zowel in het Frans als in het Nederlands, dat na zijn overlijden door A. Stalins voor de druk gereed werd gemaakt. De heraldicus en genealoog C. Pama schrijft in zijn encyclopedisch vademecum Heraldiek en Genealogie (3) over Johan Graafland: "Begaafd heraldisch tekenaar wiens wapens uitmunten zowel door heraldische juistheid als artistieke uitvoering". En in Pama's boek Heraldiek (4) zijn 75 van de 92 heraldische afbeeldingen door Johan Graafland getekend. Tevens brandschilderde Johan houten wapenborden met behulp van brandstift en kleuren, zoals het het grote Graafland wapenbord ter ere van het huwelijk van Rob Graafland met Maria Duquesne.

Op 4 november 1890, na de liquidatie van de bank, verhuisde de familie Graafland - vijf jongens en drie meisjes - naar Nieuwer Amstel, het huidige Amstelveen, en daarna naar Amsterdam waar Rob Graafland gelijktijdig de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en de Quellinusschool doorliep. De laatste, een kunstnijverheidsschool, de latere Gerrit Rietveld Academie, was in 1879 door Pierre Cuypers opgericht zodat tijdens de bouw van het Rijksmuseum, ontworpen door Cuypers, de ontwikkeling van het beeldhouwen in dit gewest kon worden aangemoedigd. De ouders van Rob Graafland wilden hem voor architect laten opleiden, maar Graafland zelf voelde zich meer tot de schilderkunst aangetrokken en na het behalen van de akte Middelbaar Onderwijs M1 tekenen in 1895 liet hij zich aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam inschrijven. Zijn leermeesters waren Professor Augustus Allebé en Professor Carel L. Dake. In de avonduren deed Graafland gedurende de volgende jaren als leraar ervaring op aan een druk bezochte avondtekencursus aan de Prinsengracht te Amsterdam die door zijn vriend en studiegenoot Gerrit Willem Knap was opgericht.

Op 26 september 1898 solliciteerde Rob Graafland voor een open plaats aan het in dat jaar opgerichte Stadsteekeninstituut te Maastricht, en nadat hij als tekenleraar was aangenomen vestigde hij zich op 11 januari 1899 in het centrum van Maastricht en op 28 december 1899 in Gronsveld, een dorpje niet ver van Maastricht. De andere twee docenten aan het Stadsteekeninstituut waren de Sittardse beeldhouwer Frans van der Laar en Willem Sprenger. Het Stadsteekeninstituut, dat gericht was op een vakopleiding voor jonge arbeiders en ambachtslieden, opende op 1 december 1898. Jos Schols schrijft in De Limburger van 21 mei 1993: "In het Augustijnengebouw waren acht lokalen beschikbaar. Er werd begonnen met 159 leerlingen vanaf twaalf jaar. De meeste scholieren oefenden een ambacht uit. ....... Aan deze school waren drie afdelingen verbonden: handtekenen, technisch tekenen en boetseren. Elke afdeling telde vijf klassen." Tevens merkt Schols op: "Graafland onderwees niet alleen praktische vakken, maar bracht zijn leerlingen eveneens artistieke vaardigheden bij. Bij hem stond niet alleen het nut, doch ook de schoonheid centraal. Dit was iets nieuws op school." Graafland gaf les in de vakken natuurtekenen en projectie- en doorzichtkunde. In die tijd had Maastricht, een stadje van 34.000 inwoners, op cultureel gebied weinig te bieden, slechts drie of vier kunstenaars waren er werkzaam.

De Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten

Graafland ontpopte zich als een bezielende leermeester. Mathieu Kemp schreef in het Limburgs Dagblad van 2 november 1956: "Zijn grote bekwaamheid en pedagogische kwaliteiten verwierven al spoedig hoge waardering". Het onderwijs van Graafland beperkte zich niet alleen tot de schilderkunst, maar richtte zich ook op muziek en literatuur. Door hem leerden Pierre en Mathieu Kemp de Kleengedichten van Guido Gezelle kennen die van groot belang zouden zijn voor hun latere literaire ontwikkeling. Pierre Kemp spreekt in zijn Proza (1945) over ".... de brillante en bezielende aanvoering van Graafland". Pierre Kemp gebruikte voor zijn vroegste gedichten (1909-1913) het pseudoniem Rob. Ree (5), een nom de plume samengesteld uit de voornaam van Rob Graafland en de tweede noot van de toonladder. Graafland was in zijn jeugd Christelijk opgevoed, desondanks kon men hem een zekere anti-klerikale gezindheid niet ontzeggen.

In 1901 richtte Rob Graafland in samenwerking met het Stadsteekeninstituut de Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten op, ook wel Zondagsschool of Zondagsschilderschool genoemd. Graafland had in 1899 hiermee een begin gemaakt en vijftien leerlingen hadden zich reeds aangemeld die ieder f 0,25 per les wilden betalen. In november 1899 stelde Rob Graafland dan ook voor tot het oprichten van deze Zondagsschildercursus. Op de vergadering van 30 november 1899 werden zijn voorstellen door het Bestuur van het Stadsteekeninstituut besproken, maar men besloot hier niet op in te gaan. Als reden werd opgegeven dat als twaalf leerlingen van de vijftien dit lesgeld zouden betalen, de opbrengst niet voldoende zou zijn om de kosten te dekken (kennelijk vond Rob Graafland dit geen bezwaar). Ook keurde het Bestuur af dat een cursus gegeven zou worden die een risico voor de leraar zou zijn zonder een bestaande officiele betrekking met het Bestuur van het Stadsteekeninstituut. Voor het organiseren van een Zondagsschildercursus door het Stadsteekeninstituut zelf was de tijd nog niet gekomen, aangezien van hogerhand besloten was dat een zodanige cursus voorlopig nog niet ter sprake kwam (6). Maar in 1901 werden Graaflands voorstellen gerealiseerd. Op de vergadering van 26 november 1901 besloot het Bestuur tot het oprichten van een schildercursus die vanaf 1902 op zondagochtend van 09.00 uur tot 12.00 uur zou worden gehouden. Deze cursus werd gegeven door Graafland en in de .............. van Graafland (onleesbaar in de notulen). De officiele naam zou zijn de Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten ofwel Zondagsschool. Graaflands intuÏtie, aangescherpt door zijn ervaringen als leraar aan de avondschool te Amsterdam alsmede gedurende de afgelopen vier jaar op het Stadsteekeninstituut, maakte het voor hem mogelijk om de meest begaafde leerlingen voor deze schildercursus uit te kiezen. Onder hen bevonden zich o. a. Edmond Bellefroid, Hermann Bopp, Jules Brouwers, P. Coenen, Guillaume Eberhard, Jean Grégoire, Charles Hollman, Hull, Han Jelinger, Henri Jonas, Mathieu en Pierre Kemp, Victor Marres, Joep Narinx, Nicolaas, Jan en Jos Postmes, Vic Reynders, Harry Schoonbrood, Willy Schoonhoven van Beurden, Selinger en Charles Vos. Deze groep stond ook bekend als "De klas Graafland". In de winter schilderden Graafland en zijn leerlingen eveneens in de Augustijnerkerk te Maastricht, en in de zomer trokken ze de natuur in om "en plein air" te schilderen. Vanaf 1911 zouden ze in de Italiaanse tuin van Graafland op St. Pieter nabij Maastricht schilderen.

Huwelijk en reis naar Amerika

Op 19 augustus 1902 trad Rob Graafland in het huwelijk met Maria Duquesne. Het echtpaar maakte een lange huwelijksreis door Italië. Dit land, en met name Venetië, zou Graafland in hoge mate inspireren zoals uit zijn kleurrijke doeken blijkt die hij later zou schilderen. Terug in Maastricht liet hij aan de Scharnerweg in de gemeente Heer volgens eigen ontwerp een grote vrijstaande villa bouwen, Villa Aldegonda. In december 1903 werd een dochter, Suzanna, geboren.

In 1905 ondernam Graafland een reis naar Amerika. Hoe lang hij daar verbleef valt niet met zekerheid te zeggen, maar het zal enkele maanden zijn geweest. Drie prentbriefkaarten aan mejuffrouw W. Jelinger te Maastricht zijn respektievelijk gedateerd New York 4 juni 1905, New York 19 juni 1905 en New York 6 juli 1905. Zijn motivatie was om zich te ori๋nteren in de artistieke ontwikkeling aldaar. Dit was zeer ongebruikelijk aangezien andere kunstschilders voor hun artistieke ontwikkeling Parijs bezochten, zoals bijv. de kunstenaars van de Haagsche School. Waarom verkoos Rob Graafland Amerika? Niemand weet het. Graafland zelf heeft er nooit over gesproken. Mevrouw Yvonne Graafland-Marres, de schoondochter van Rob Graafland, zegt hierover in een intervieuw met Ieneke Suidman voor het kunstblad Kunstwerk (7): "Niemand heeft de motivatie voor die reis ooit begrepen". De redenen die Graafland bewogen Amerika te bezoeken zullen een gevoel voor avontuur zijn geweest dat zich op Amerika richtte, gekombineerd met een sterke artistieke interesse. Het is mogelijk dat hij in kontakt stond met de kunstenaar Antoon Molkenboer die van 1905 tot 1910 in Amerika verbleef, alsmede met de Limburgse kunstschilder Hubert Vos – een neef van zijn leerling Charles Vos - die in Amerika woonde. Molkenboer en Graafland hadden in dezelfde periode de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers te Amsterdam bezocht en zullen elkaar wel ontmoet hebben. Maar Molkenboer woonde in 1905 slechts zes maanden in New York, en het is niet zeker dat deze periode samenviel met Graaflands verblijf aldaar. Wat daarentegen wel zeker is, is dat Rob Graafland Hubert Vos op Long Island bezocht. Dit moet in april of mei 1905 zijn geweest, of zelfs vroeger, want in juni 1905 werd Hubert Vos op het paleis in Beijing ontvangen waar hij een portret van de weduwe-keizerin van China, Cixi, schilderde; hij keerde terug naar New York in 1906. Jammer genoeg is er over deze reis naar Amerika weinig bekend. Vaststaat dat Graafland met Amerikaanse kunstbroeders in Staten Island (New York) het veld introk om te schilderen, dat hij Hubert Vos op Long Island bezocht en dat hij erin slaagde talrijke opdrachten voor schilderijen te krijgen. Ook bracht hij een bezoek aan een Indianenstam waar hij bij binnenkomst met de dood werd bedreigd. Pas nadat hij op papier, ten overstaan van de gehele stam, een snelle potloodtekening van het opperhoofd had gemaakt waarop deze trots en in vol ornaat stond afgebeeld, werd hij met rust gelaten en zelfs vriendelijk bejegend. Eenmaal terug in Maastricht schreef Graafland aan de kunstcriticus Plasschaert "dolgelukkig te zijn dat hij in Limburg was teruggekeerd".

Het illustreren van kinder- en lesboeken

Na zijn terugkomst in Maastricht werd in januari 1906 een zoon geboren, Charles genaamd. Financiële omstandigheden noopten Graafland zijn huis aan de Scharnerweg te verkopen en naar België te verhuizen. Op 2 september 1907 vertrok de familie Graafland voor korte duur naar Luik en daarna naar het dorpje Wandre tussen Luik en Maastricht. Iedere dag reisde Graafland per koets tussen Wandre en Maastricht op en neer om zijn lessen aan het Stadsteekeninstituut voort te zetten. Ook de lessen van de Zondagsschool bleven doorgaan die een steeds grotere populariteit genoten. Aan enkele personen gaf hij privé onderwijs, zoals o.a. aan de broeders van het klooster de Beyard te Maastricht. Hierdoor kwam hij in kontakt met Broeder Cyprianus wiens godsdienstige boeken hij zou illustreren. Broeder Cyprianus schreef onder het pseudoniem B. C. Kloostermans. Wanneer Rob Graafland met illustreren is begonnen valt moeilijk vast te stellen. Hij illustreerde, voorzover bekend, voor twee uitgeverijen: Malmberg in 's Hertogenbosch (katholieke lesboeken zoals o.a. Zien en Zeggen, Gods Volk, Ons Voorbeeld), en de Spaarnestad in Haarlem (avonturenboeken voor de jeugd zoals o.a. Een Kind van 1813, Bij Oom in Indie). De publikatie van de eerste Zien en Zeggen was in 1914, maar de publikatie data van Gods Volk, Ons Voorbeeld, De Zondags Evangeliëen en eventuele andere katholieke lesboeken zijn onbekend, evenals de publikatie data van de eerste avonturenboeken voor de jeugd. Bovendien illustreerde Graafland week- en maandbladen. Maar wanneer hij ook met illustreren mocht zijn begonnen, hij heeft zijn hele leven geÏllustreerd, zelfs toen hij ernstig ziek was.

De Italiaanse tuin op St. Pieter

Op 21 maart 1911 verhuisde de familie Graafland van Wandre naar een groot huis in de Burgemeester Ceulenstraat 22 te St. Pieter nabij Maastricht. Het hoogtepunt van Graaflands scheppen en de gelukkigste periode van zijn leven waren thans aangebroken. Hij maakte zich los van de Rembrandtachtige kleuren waarin hij tot nu toe voornamelijk geschilderd had - veel van zijn werken van de afgelopen tien jaar vernietigde hij - en hij ontwikkelde zijn eigen stijl, een romantisch impressionisme: fonkelende kleurencomposities met een sterke romantische expressie die de schoonheid van het leven tot uitdrukking brachten.
St. Pieter was in die tijd omgeven door eenzame velden die uitliepen op de glooÏende hellingen van de St. Pietersberg. Achter zijn statige woning liet Graafland een uitgestrekte, uit terrassen bestaande Italiaanse tuin aanleggen. Twee levensgrote stenen leeuwen, gebeeldhouwd door zijn vriend de beeldhouwer Frans van der Laar, gaven toegang tot de tuin. Tussen eiken, appelbomen, sparren, seringbomen en bloemperken slingerden zandpaadjes langs sierlijke smeedijzeren banken, vazen, zuilen en beelden. Ook waren er enkele fonteinen waarvan de grootste beeldengroep door Frans van der Laar gebeeldhouwd was. En dan was er nog een vijver, bewaakt door vier levensgrote leeuwen op zuilen. Uitbundige feesten werden er in deze tuin gehouden, zoals de gondelfeesten waarbij de feestvierders zingend en lachend in gondels over het water gleden; de gondels had Rob Graafland volgens Venetiaans ontwerp laten maken. Deze Italiaanse tuin is in vele van Graaflands werken tussen 1911 en 1919 terug te vinden. De lessen van de Zondagsschool vonden van nu af aan hier plaats. Graafland zelf schilderde dag en nacht. Zijn zoon Charles vertelde dat zijn vader de gewoonte had midden in de nacht op te staan om aan zijn schilderijen te werken.
Frits Goovaerts, de zoon van de kunstschilder Henri Goovaerts, schreef in 1962 aan Suzanna, de dochter van Graafland: "Vaak zie ik de Maasvallei voor me en de akkers van de boertjes op St. Pieter, zoals dat vroeger was. Aan Charles [de zoon van Graafland] liet ik al weten hoe jullie tuin me nog helder voor de geest staat. Die verdroomde sfeer van een nazomerdag, toen de zoetappels in het fonteintje dreven, terwijl de witte leeuwen mediterend voor zich uitkeken en het gedreun van een binnenkomende oogstwagen over de schuur van de burgemeester tot je doordrong. Het was toen nog zo onbedorven stil zonder straaljagerlawaai en bromfietsen. Wat wisten wij bovendien hoe onfris het in de wereld kan zijn. Het was een korte maar zeer mooie tijd."
Charles Graafland haalde deze tuin aan in een toespraak voor zijn zuster in december 1963: "In het midden van een ronde vijver stond een beeldengroep, om de vijver stonden geflankeerd vier massief gebeeldhouwde leeuwen op ware grootte, trots en grimmig als strenge wachters. Het water weerkaatste de stralen van de zon en vormde als het ware miljoenen flonkerende edelsteentjes..... In de verte hoorde ik de basstem zingen van Joseph Joosten, begeleid door piano en gitaar; door de ijzeren poort van de tuin kwamen de leerlingen binnen van de kunstacademie om je te schilderen onder de bloembollenboom....."

Jean van de Voort schrijft in Kunst in Limburg (8) over Graafland: "Naast een sterk persoonlijke stempel, ligt over heel de reeks zijner doeken, in niet te miskennen schittering, de mooie weergave van een innige, dichterlijke ontroering, die elk stuk vormt tot een gedicht in kleuren." Graafland koos inderdaad soms een dichterlijk motief om deze in een schilderij tot uiting te brengen. Van de Voort vervolgt: "Jonge Liefde (1918), is de dichterlijke uitbeelding van het vers van Gottfried Mann:

"De zon stond hoog, de lente zong door het lover,
De ganse wereld zong hun tegemoet,
Hij boog 't gelaat, al fluist'rend, tot haar over,
Naast 't kopje naast hem, rood van rozengloed..."

Poëzie en muziek oefenden een grote invloed uit op het leven van Graafland. Het was ook dank zij het luisteren naar de Schöpfung van Hayden dat Graafland na zijn langdurige ziekte opnieuw het palet opnam (9). Van der Voort: "Telkens als Graafland het edelste ter wereld, het menselijk wezen schildert, weet hij te vermijden, wat velen in het modern werk soms schokt, en uit de ruw geborstelde kleurenvlakken droomt, in doorvoelde fijnheid, het vergeestelijkt gelaat."

Andere kunstenaars verzamelden zich rond Graafland, zoals de kunstschilders Herman Gouwe, Chris Hammes en Willem van Konijnenburg; Henri Hermans, dirigent van het Maastrichter Stedelijk Orkest; en de operazanger Joseph Joosten. Bij Graafland op St. Pieter werd 's avonds door de week en op zondags enthousiast muziek gespeeld en hartstochtelijk gediscussieërd. Henri Hermans begeleidde op het harmonium Joseph Joosten die aria's zong, Charles Hollman speelde cello en Graafland zong met zijn tenorstem liederen uit de Schöpfung van Hayden en droeg gedichten van Schubert voor. Graafland hield erg veel van muziek. Tijdens het schilderen speelde een pianola waarvoor elke week nieuwe rollen werden gebracht, Mozart en Tschaikowsky hadden zijn voorkeur. Behalve bij Graafland thuis trof men elkaar eveneens in Café Suisse op het Vrijthof in Maastricht, en zo stonden ze bekend als "De bende van de Suisse". Herman Gouwe, afkomstig uit Alkmaar, verbleef in 1908 voor de eerste keer in Maastricht. Graafland introduceerde hem in Café Suisse en Gouwe introduceerde Graafland bij de Larensche Kunsthandel in Amsterdam en bij het Sint-Lucasgilde, ook in Amsterdam. Gouwe logeerde in de zomermaanden dikwijls bij Graafland en in zijn niet gepubliceerde autobiografie schrijft hij over Graafland: "Hij woonde in een groot en mooi huis aan de buitenkant van Maastricht op St. Pieter. Hij was erg populair en hij had een luchtige philosofische trek in zijn karakter en zijn schilderijen straalden vreugde uit" (blz. 20). In 1959 schreef Gouwe over zijn ontmoeting met mevrouw Suzanna Twaalfhoven-Graafland: "Ik had mevrouw Twaalfhoven gekend vanaf haar prille jeugd want zij was de dochter van mijn vriend en collega Graafland te Maastricht bij wie vroeger altijd mijn pied à terre was als ik in de zomer naar Limburg kwam" (blz. 79). En eveneens in 1959: "Aan de wand [bij Twaalfhoven-Graafland] hing een groot schilderij Ploegende Paarden dat had ik vroeger eens voor mijn vriend Graafland gemaakt" (blz. 80).

Exposities

Rob Graafland begon voor het eerst te exposeren in 1908 in de Larensche Kunsthandel te Amsterdam. De reden voor deze lokatie was dat hij zich niet alleen tot Maastricht wilde beperken. In 1910 schreef hij aan de kunstcriticus Plasschaert: "Al mijn werk vernietigde ik, totdat ik moest exposeren, dat is ongeveer twee jaar geleden." Wel werden er op zijn ateliers doeken verkocht. Het schilderij Le cygne mechant dat in 1908 in de Larensche Kunsthandel werd tentoongesteld, imponeerde de jury van het Sint-Lucasgilde te Amsterdam dusdanig dat zij Graafland in 1909 uitnodigden om lid van hun vereniging te worden. Op 5 mei 1910 exposeerde Graafland bij Sint-Lucas in het Stedelijk Museum met o.a. Piet Mondriaan, Jan Sluyters en Martin Monnickendam. Behalve in Nederland nam Graafland ook deel aan tentoonstellingen in Engelse kustcentra.

De Limburgsche Kunstkring

Sint-Lucas inspireerde Graafland tot het oprichten van de Limburgsche Kunstkring, en in 1910 kwam deze samen met Jan Bakhoven, Guillaume Eberhard, Herman Gouwe, Henri Jonas, Johannes van der Kooij, Jos Narinx en Vic Reinders tot stand. Graafland werd voorzitter en de eerste tentoonstelling vond plaats in maart van dat jaar in de Dominicanenkerk te Maastricht. Graafland verscheen met ongeveer vijftig schilderijen waaronder het schilderij Pic-Nic. Door hun felle coloriet en hun romantische inhoud stonden ze in het middelpunt van de belangstelling.

Onderscheidingen

In 1912 viel Graafland een grote onderscheiding ten deel. Uitgenodigd voor deelname aan de Exposition Internationale Musée Municipale in het Stedelijk Museum te Amsterdam, werd hem de Bronzen Medaille van de stad Amsterdam toegekend voor zijn schilderij Lezend meisje. Bij zijn terugkomst op St. Pieter bracht de plaatselijke fanfare Graafland diezelfde avond een uitbundige serenade.

In 1916 liet Graafland Sint-Lucas in Amsterdam kennismaken met het werk van zijn leerlingen Henri Jonas en Guillaume Eberhard. Hijzelf verscheen er met zijn schilderijen Levensvreugde en Meisjes in de zon. In september van datzelfde jaar exposeerde hij met deze twee schilderijen op uitnodiging bij de 's Hertogenbosche Kunstkring en ontving voor beide schilderijen uit handen van H.M. Koningin Wilhelmina de Gouden Medaille.

In 1917 vertrok Henri Jonas, een leerling van "De klas Graafland", naar Amsterdam om aan de Rijksakademie te gaan studeren. Graafland was erin geslaagd van de stad Maastricht een stipendium voor hem te krijgen.

Robert Graafland had thans het hoogtepunt van zijn carrière bereikt. Als leraar had hij begaafde leerlingen opgeleid en in Amsterdam geÏntroduceerd zodat hun schilderijen aldaar op exposities konden worden tentoongesteld. Als kunstschilder werd hij erkend en bewonderd, zijn schilderijen brachten hem roem in zowel Limburg als Holland. Hiernaast vond hij vreugde in zijn huwelijk en zijn gezin. Zijn werklust die hem al deze jaren opwaarts had gestuwd scheen onuitputtelijk te zijn. Maar plotseling kwam er een einde aan dit alles.

Tegenslagen en depressies

Graafland ondervond zware tegenslag op financieël gebied. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog ging een levensverzekering van 20.000 goudmark, vóór 1914 geinvesteerd in het Duitse Keizerrrijk, wat toendertijd gebruikelijk was, in rook op. Een investering in mergel-exploitatie liep op niets uit. Tegelijkertijd ging zijn gezondheid achteruit. Graafland begon aan depressies te lijden die steeds veelvuldiger optraden. Zijn leerlingen waren opgegroeid en hun eigen weg ingeslagen, wat Graafland altijd had aangemoedigd. Bovendien was er een tekenschool voor arbeidskinderen door kapelaan Rutte opgericht die populair was. Er braken dagen aan dat Graafland fysiek niet meer in staat was te werken, en die dagen groeiden uit tot maanden, jaren. In november 1919 werd hem op vierenveertig jarige leeftijd eervol pensioen verleend. De Zondagsschool hield op te bestaan.

Op 29 augustus 1922 verhuisde de familie Graafland van St. Pieter naar St. Servaasklooster 23 te Maastricht. Een ongewilde periode van stilstand op het gebied van de schilderkunst brak voor Rob Graafland aan die tot 1934 zou duren. Desondanks bleef hij in andere opzichten aktief. Zo werd hij tekenleraar aan de R.K. Huishoudschool in Maastricht waar hij eveneens ontwerpen voor vloerkleden, kussens en gobelins maakte. Hij werd voorzitter van de Schoonheidscommissie in Maastricht, Valkenburg en Houthem. Hij nam tot 1923 deel aan vier exposities waarbij twee van zijn schilderijen in 1920 in vijf steden in Groot-Brittannië geëxposeerd werden. En hij bleef werkzaam als illustrator van kinderboeken en week- en maandbladen. Mathieu Kemp noemde Graafland de eerste onder de beste illustratoren van de katholieke jeugdliteratuur. Jarenlang werkte Graafland samen met Broeder Cyprianus, een kloosterling van De Beyart te Maastricht, die zich geheel aan het onderwijs wijdde. Broeder Cyprianus schreef o.a. onder de naam B.C. Kloostermans en zijn boeken werden in het onderwijs over heel Nederland verspreid. Gedurende vele jaren leverde Graafland zijn bijdragen voor deze boekjes, zoals Gods Volk, Roomse Jeugd en Zien en Zeggen. Ook illustreerde hij kleuterboeken door T. Kiewiet, school-leesboeken zoals Erik en Olle door B.J. Douwes en leesboeken door andere schrijvers. In al deze illustraties komen de figuurtjes van zijn twee kinderen, Suzanna en Charles, en ook die van zijn echtgenote Maria, steeds terug. Een van de leesboeken van Albertine Steenhoff-Smulders die Graafland llustreerde was Een Kind van 1813 (vrij naverteld door Roel Helling). Op de foto beneden Kind van 1813 poseren Rob Graafland, drie vrienden en zijn twee kinderen voor de achtergrond van de omslagtekening van dit boek. Graafland had zoveel succes met zijn illustraties en kreeg zoveel opdrachten dat hij Edmond Bellefroid, een leerling van "De klas Graafland", vroeg om hem hierbij te helpen.

Herstel

Op 29 september 1933 verhuisde de familie Graafland van Maastricht naar Vught. De depressie van Rob Graafland bereikte nu een hoogtepunt en door een daad van agressie tegen zichzelf verloor hij zijn rechteroog. Hij werd in Apeldoorn opgenomen en vervolgens in Vught. Paradoxaal genoeg was hij enige tijd later genezen. Na een ziekte van veertien jaar kwam de drang om te schilderen weer terug. Op 29 september 1933 verhuisde de familie Graafland van Maastricht naar Vught. Maar al was hij genezen, toch was Graafland niet meer de man die hij vroeger was geweest, zoals hij op 7 september 1935 aan de kunstcriticus Plasschaert schreef. Gedurende de volgende jaren legde Graafland zich vooral toe op portretschilderen, maar tevens schilderde hij vele andere onderwerpen zoals danseressen, naakten, moeder en kind en paarden. Zijn schilderij Levensbron kreeg de eerste prijs op een tentoonstelling ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van de stad 's Hertogenbosch. In februari 1936 hield Graafland een expositie van zijn werk in Den Haag, zijn eerste expositie sinds 1923. Enkele maanden later exposeerde hij op de Olympiade tentoonstelling in Berlijn met het portret van de ruiter Charles Pahud de Mortanges gezeten op zijn paard Mädel-Wie-Du waarvoor Graafland de Bronzen Medaille ontving.

Twee jaar later besloot Graafland zijn teruggetrokken leven op te geven en de familie Graafland verhuisde van Vught naar Den Haag. Veel van de daar gecreeërde doeken zijn op 3 maart 1945 tijdens het geallieërde bombardement op Bezuidenhout verloren gegaan. Een jaar later ontvluchtte Graafland de drukte van Den Haag en keerde terug naar zijn vroegere woning te Vught. In september 1938 nam Graafland met vijf schilderijen deel aan de tentoonstelling Veertig jaar Limburgsche kunst in de Dominicanenkerk te Maastricht. Zijn werk trok enorme belangstelling.

Graafland beschikte thans slechts over zijn linkeroog en als gevolg daarvan had hij zijn gevoel voor diepte verloren, een zwakte die in een aantal van zijn schilderijen uit deze periode terug is te vinden.

De drijfveer van Graaflands schilderkunst

In 1940 begon Graafland aan een ernstige ziekte te lijden. In korte tijd verzwakte hij snel en Hendrik de Laat hielp hem bij het spannen van een nieuw doek. Zijn laatste werk was de staande gesluierde bruid met een boeket bloemen in haar samengevouwen handen, het was hem niet gegeven dit werk te voltooien. Graafland werd voor een operatie in het Sint Joseph ziekenhuis te Heerlen opgenomen en overleed in de ochtend van zondag 28 april 1940 op de operatietafel.

Robert Graafland lichtte tijdens twee exposities de drijfveer van zijn schilderkunst toe. Op de eerste expositie, een expositie van zijn schilderijen in januari 1937 in de R.K. Leeszalen te 's-Hertogenbosch, sprak hij enkele dankwoorden in antwoord op de openingsrede door de burgemeester van 's-Hertogenbosch, baron F. van Lanschot.

"Als ik met mijn werk heb bijgedragen tot vermeerdering van het geluk der mensen en als ik - voorzover een kunstenaar een apostolische roeping heeft, al is het dan wat mij betreft nog zo weinig - iets heb kunnen openbaren van de schoonheid en reinheid van de Goddelijke Schepping, dan is mijn werk niet voor niets geweest."

Op de tweede expositie, in 1938 in de Dominicanenkerk te Maastricht ter ere van het veertig-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina (10), formuleerde Graafland het ietwat beknopter: "Ik acht mij beloond als mijn kunstwerken mogen bijdragen tot de vermeerdering van het levensgeluk der mensen."

En op 1 oktober 1938 had Graafland aan zijn vriend en collega Charles Hollman geschreven: "....... Je romantische aard verloochent zich gelukkig niet; want natuurlijk een beetje romantiek hebben wij in deze nuchteren, zakelijken tijd wel zeer noodig. Het spreekt vanzelf dat de tijdsomstandigheden invloed op kunstenaars uitoefenen, maar zeker is dat, hoe zakelijker en nuchterder de levensomstandigheden zijn, het verlangen naar romantiek in de menschen groeit. Romantiek is immers net zoo goed een levensvoorwaarde."


Fr Graafland


(1) Limburgsche wapens, Van Aelst, Maastricht, 1925

(2) Encyclopédie Héraldique / Heraldische Encyclopedie, W.P. Van Stockum & Zoon, Den Haag, 1932

(3) C. Pama: Heraldiek en Genealogie, een encyclopedisch vademecum, Het Spectrum (Prisma), 1969

(4) C. Pama: Heraldiek, Het Spectrum (Prisma), 1958

(5) Harry G.M. Prick: Petrus Johannes Kemp, De Engelbewaarder, april 1980 / Pim de Vroomen, Verzameld Werk Pierre Kemp, deel III, blz. 1368, september 1976

(6) Notulen 30 november 1899

(7) Maandnummer november / december 1992

(8) No. 1, 1919 / 1920

(9) Intervieuw door J. B. Deelen, arts, 1 maart 1937 te Vucht


Top van bladzijde