`
Geheel herziene en uitgebreide tekst, 1 november 2017

ROB GRAAFLAND

De jaren 1875 - 1900

Robert Archibald Antonius Johan Graafland werd op 26 november 1875 te Maastricht geboren als tweede zoon van Jonkheer Johan Magdalenus Leo en Francisca Suzanna Geertruide Mols. De Graaflands waren oorspronkelijk uit Amsterdam afkomstig waar ze vanaf 1600 tot de regentenfamilies hadden behoord. Johan Graafland was bankier-commissionair maar bovenal heraldicus die het boek "Limburgsche Wapens" (1) illustreerde onder redactie van J. M. van der Venne. Toen Graafland op 15 januari 1925 overleed en zijn zoon Antoine, die het werk van zijn vader zou voortzetten, negen maanden later op 11 oktober eveneens overleed, nam de tekenaar L. Pilet het op zich om het boek af te maken. Johan Graafland schreef en tekende ook het boek "Encyclopédie Héraldique" / "Heraldische Encyclopedie" (2), zowel in het Frans als in het Nederlands, dat na zijn overlijden door A. Stalins voor de druk gereed werd gemaakt. Verder brandschilderde Graafland houten wapenborden waarbij gebruik werd gemaakt van brandstift en kleuren, zoals het grote Graafland wapenbord ter ere van het huwelijk van Rob Graafland met Maria Duquesne. De heraldicus en genealoog C. Pama schreef over Johan Graafland in zijn encyclopedisch vademecum "Heraldiek en Genealogie" (3): "Begaafd heraldisch tekenaar wiens wapens uitmunten zowel door heraldische juistheid als artistieke uitvoering". En in Pama's boek "Heraldiek" (4) zijn 91 heraldische afbeeldingen door Johan Graafland getekend, de twee omslag tekeningen inbegrepen; het merendeel van de overige 43 afbeeldingen zijn kleiner van uitvoering.

Op 4 november 1890, na de liquidatie van de bank, verhuisde de familie Graafland - drie meisjes en vijf jongens - naar Nieuwer Amstel, het huidige Amstelveen, en daarna naar Amsterdam waar Rob Graafland gelijktijdig de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en de Quellinusschool doorliep. De laatste, een kunstnijverheidsschool, de latere Gerrit Rietveld Academie, was in 1879 door de bouwmeester Pierre Cuypers opgericht om jonge krachten op te leiden voor de bouw van het Rijksmuseum (decoratieschilders, tekenaars en beeldhouwers); het gaf een driejarige opleiding volgens middeleeuws model. Zijn ouders wilden Rob Graafland voor architect laten opleiden, en daarom werkte hij enige tijd op het atelier van Cuypers ten einde een opleiding in de architectuur te volgen. Maar Graafland voelde zich toch meer tot de schilderkunst aangetrokken, en op verzoek van zijn ouders behaalde hij in 1895 de akte M.O. tekenen en liet zich vervolgens aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam inschrijven, de enige inrichting voor hoger kunstonderwijs die Nederland rijk was. Zijn leermeesters waren Professor Augustus Allebé en Professor Carel L. Dake. In de avonduren deed Graafland gedurende de volgende jaren als leraar ervaring op aan een druk bezochte avondtekencursus aan de Prinsengracht die door zijn vriend en studiegenoot Gerrit Willem Knap, de latere kunstschilder, een jaar tevoren was opgericht.

Op 26 september 1898 solliciteerde Rob Graafland voor een open plaats aan het in dat jaar opgerichte Stadsteekeninstituut te Maastricht, en nadat hij op 7 november hieraan tot leraar M.O. tekenen was benoemd vestigde hij zich eerst in het centrum van Maastricht en op 28 december 1899 in Gronsveld, een dorpje niet ver van Maastricht. De andere twee docenten aan het Stadsteekeninstituut waren de Sittardse beeldhouwer Frans van der Laar en Willem Sprenger. Het Stadsteekeninstituut was gericht op een vakopleiding voor jonge arbeiders en ambachtslieden en ondergebracht in de voormalige Augustijnerkerk en opende op 1 december 1898. Jos Schols schreef in "De Limburger" van 21 mei 1993: "In het Augustijnengebouw waren acht lokalen beschikbaar. Er werd begonnen met 159 leerlingen vanaf twaalf jaar. De meeste scholieren oefenden een ambacht uit. ....... Aan deze school waren drie afdelingen verbonden: handtekenen, technisch tekenen en boetseren. Elke afdeling telde vijf klassen." En: "Graafland onderwees niet alleen praktische vakken, maar bracht zijn leerlingen eveneens artistieke vaardigheden bij. Bij hem stond niet alleen het nut, doch ook de schoonheid centraal. Dit was iets nieuws op school." Graafland gaf les in Natuurtekenen en zijn jaarsalaris was f 650. De directeur van het Stadsteekeninstituut was Jacobus van Gils die in 1902 naar Rotterdam vertrok waar hij het volgende jaar overleed. Zijn opvolger was A. van de Sandt. Maastricht was toendertijd een stadje van ongeveer 30.000 inwoners en had op cultureel gebied weinig te bieden, slechts drie of vier kunstenaars waren er werkzaam.

In 1900 richtte Graafland zijn eerste atelier aan de Heksenhoek in, thans het gebouw van het huidige Natuurhistorisch Museum Maastricht, en in 1901 verplaatste hij het naar de Markt / hoek Spilstraat. Onder invloed van zijn academische vorming schilderde hij de eerstkomende jaren vrij veel in Rembrandt-bruine kleuren, maar reeds onder zijn vroegste werken bevinden zich doeken die aanwijzen in welke richting hij zich uiteindelijk zou ontwikkelen, zoals "Romantisch landschap met figuren" (1901), "Picknick bij de rode auto" (1902) en "Maastricht" (1906), alle kleurrijke composities. Stillevens, bloemstukken en religieuze onderwerpen trokken Graafland niet aan. Het eerste heeft hij dan ook nooit geschilderd en het tweede een enkele keer, zoals een blauwe vaas met klaprozen. Er zijn geen religieuze afbeeldingen van hem bekend, ondanks dat Graafland de religieuze lesboekjes van Broeder Cyprianus illustreerde, op één uitzondering na (voorzover bekend): deze religieuze aquarel

Het artistieke leven van Graafland had geen binding met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen en werd er niet door beinvloed. Wel tekende hij een briefkaart met de ondertiteling "Steunt het wettig gezag voordat het te laat is" die in alle boekwinkels over het gehele land verkrijgbaar was toen Troelstra in november 1918 de revolutie uitriep en België aanspraken op Nederlands-Limburg begon te maken, en ook zijn er enkele andere politieke tekeningen van hem bekend, doch nimmer heeft Graafland zijn politieke en maatschappelijke opinies in zijn schilderijen verwerkt.

De Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten

Graafland ontpopte zich als een bezielende leermeester. Mathieu Kemp schreef in het "Limburgs Dagblad" van 2 november 1956: "Zijn grote bekwaamheid en pedagogische kwaliteiten verwierven al spoedig hoge waardering". Het onderwijs van Graafland beperkte zich niet alleen tot de schilderkunst, maar richtte zich ook op muziek en literatuur. Door hem leerden Pierre en Mathieu Kemp de "Kleengedichten" van Guido Gezelle (5) kennen die van groot belang waren voor hun latere literaire ontwikkeling. Pierre Kemp spreekt in zijn "Proza" (1945) over "....... de brillante en bezielende aanvoering van Graafland". Pierre Kemp gebruikte voor zijn vroegste gedichten (1909-1913) het pseudoniem "Rob. Ree" (6), een nom de plume samengesteld uit de voornaam van Rob Graafland en de tweede noot van de toonladder. A. Gorissen schijft in "Mathias Kemp, een leven voor Limburg" (1991) over het Stadsteekeninstituut: "Graafland bleek zijn leerlingen op dat vlak [moreel en intellectueel] uitstekend te kunnen scholen. Hij besteedde tijdens zijn lessen niet alleen aandacht aan tekenen en de schilderkunst, maar ook aan muziek en literatuur. Bovendien bracht hij zijn voor die tijd nogal libertijnse ideeën op een deel van zijn leerlingen over." Graafland was in zijn jeugd Christelijk opgevoed, desondanks vertoonde hij een grote vrijgeestigheid hierin en kon men hem een zekere anti-klerikale gezindheid niet ontzeggen. Volgens Mathieu Kemp was hij een agnostist (5).

In 1901 richtte Rob Graafland in samenwerking met het Stadsteekeninstituut de Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten op, ook wel Zondagsschilderschool genoemd. Graafland had in 1899 op eigen initiatief hiermee een begin gemaakt en vijftien leerlingen hadden zich reeds aangemeld die ieder f 0,25 per les wilden betalen. In november 1899 stelde hij dan ook voor tot het oprichten van deze Zondagsschildercursus voor begaafde leerlingen van het Stadsteekeninstituut. Op de vergadering van 30 november 1899 (7) werden zijn voorstellen door het Bestuur van het Stadsteekeninstituut besproken, maar men besloot hier niet op in te gaan. Als reden werd opgegeven dat als twaalf leerlingen van de vijftien dit lesgeld zouden betalen, de opbrengst niet voldoende zou zijn om de kosten te dekken (kennelijk vond Graafland dit geen bezwaar). Ook keurde het Bestuur af dat een cursus gegeven zou worden die een risico voor de leraar zou zijn zonder een bestaande officiële betrekking met het Bestuur van het Stadsteekeninstituut. Voor het organiseren van een Zondagsschildercursus door het Stadsteekeninstituut zelf was de tijd nog niet gekomen, aangezien van hogerhand besloten was dat een zodanige cursus voorlopig nog niet ter sprake kwam. Maar in 1901 werden Graaflands voorstellen gerealiseerd. Op de vergadering van 26 november 1901 (7) besloot het Bestuur tot het oprichten van een schildercursus die vanaf 1902 op zondagochtend van 09.00 uur tot 12.00 uur zou worden gegeven met Graafland als leraar; de lessen zouden plaatsvinden in de ....... van Graafland (onleesbaar in de slordig geschreven notulen). De officiële naam zou zijn de Zondagsschool voor Decoratieve Kunsten ofwel Zondagsschilderschool.

Graaflands intuÏtie, aangescherpt door zijn ervaringen als leraar aan de avondschool te Amsterdam alsmede gedurende de afgelopen drie jaar op het Stadsteekeninstituut, maakte het voor hem mogelijk om de meest begaafde leerlingen voor deze schildercursus uit te kiezen. Onder hen bevonden zich o.a. Edmond Bellefroid, G. Boosten, Hermann Bopp, Jules Brouwers, P. Coenen, Guillaume Eberhard, Jean Grégoire, Charles Hollman, Hull, Han Jelinger, Henri Jonas, Mathieu en Pierre Kemp, Victor Marres, Joep Narinx, Nicolaas, Jan en Josef Postmes, Vic Reynders, Harry Schoonbrood, Willy Schoonhoven van Beurden, Selinger en Charles Vos. Deze groep stond ook bekend als "De klas Graafland". Hoewel in de notulen van 26 november 1901 vermeld staat dat de lessen in de ....... van Graafland zouden worden gegeven, schilderde de klas eveneens in de Augustijnerkerk; en in de zomer trokken zij de natuur in om "en plein air" te schilderen. Vanaf 1911 zouden de lessen in de Italiaanse tuin van Graafland op St. Pieter nabij Maastricht plaatsvinden.

Monique Dickhaut schreef in "Ontmoeting met Rob Graafland" (2010) over de Zondagsschilderschool: "Graafland ontpopte zich als een enthousiast leermeester die hen niet alleen de technische en artistieke aspecten van de teken- en schilderkunst bijbracht, maar hen ook kennis liet maken met kunst en cultuur in de meest brede betekenis. Voor deze jonge mensen, waarvan de meeste afkomstig waren uit eenvoudige gezinnen, was deze inwijding in de wereld van kunst en cultuur door hun aristocratische leermeester ongetwijfeld een openbaring."
A. Gorissen schreef in "Mathias Kemp, een leven voor Limburg" (1991) over de Zondagsschilderschool: "Graafland was voor zijn leerlingen vooral een bezieler, een inspirator. Hij was een leermeester die hen niet alleen bijbracht dat wit geen kleur was en dat je de wolken beter met citroencadmium kon schilderen, maar die hen opwekte tot grote prestaties. Hij wist uit iedereen te halen wat er in zat."
Mathieu Kemp formuleerde zijn ervaringen met "De klas Graafland" als volgt (8): "In ieder geval heb ik enkele jaren de 'klas' meegemaakt en kan dus getuigen dat Graafland een bezielend leider was, die wist te ontdekken wat er aan begaafdheid in de leerlingen school. Graafland zelf was als schilder een man met talent, charmant en wat mondain van opvatting, van levensopvattig gematigd vrijzinnig, met een open blik ook voor andere kunsten, als literatuur'. Hieraan moet worden toegevoegd dat Mathieu Kemp niet zo goed met hem overweg kon, en in 1956 herinnerde hij zich Graafland als (A. Gorissen) "een fascinerende, soms charmante personlijkheid, die echter meer bewondering dan sympathie wist op te wekken" ....... "Dit [niet zo homogene] belette niet dat zijn grote gaven als leraar ongehinderd tot hun recht konden komen." ....... "Kwam hij de werkstukken controleren, dan wist hij daarin steeds dit of dat met een rake streek of 'n pittige toets te verbeteren".

Huwelijk

Op 19 augustus 1902 trad Rob Graafland in het huwelijk met Maria Hubertina Leopoldina Isabella Duquesne, dochter van Tilman Joseph en Maria Johanna Louisa Hubertina Diederiks uit Heer, die aldaar op het landgoed "Wittevrouwenhof" woonachtig waren. In zijn notities beschreef Charles Graafland zijn moeder als volgt: "Maria was een lieve verstandige en knappe verschijning. Zij heeft de depressies die Rob Graafland had met moed weten te verwerken. Het was een gelukkig huwelijk." Een aantal portretten, opgezet in tedere en warme kleuren, getuigen van zijn woorden. Maria was een gastvrije dame, want leerlingen en vrienden die in en uit liepen werden altijd voorzien van koffie, taart en drank. Het echtpaar betrok tijdelijk een woning op Scharnerweg 93 te Amby, aan de rand van Maastricht. Vervolgens maakten ze een lange huwelijksreis door Italië waarvan de kunst, de architectuur en het klimaat Graafland overweldigden. Dit land, en met name Venetië, zou hem in hoge mate inspireren zoals uit de doeken blijkt die hij later zou schilderen, doeken met pure en vlammende kleuren.

Terug in Maastricht liet hij aan de Scharnerweg 98 in de gemeente Heer volgens eigen ontwerp een grote vrijstaande villa bouwen, Villa Aldegonda, waaraan hij veel geld en tijd besteedde (9). In het grote trappenhuis waren heraldische wapens van Graafland en Duquesne in het eikenhout gesneden en in de plafonds van het trappenhuis waren wapenschilden in pleisterwerk aangebracht. Het houtwerk van het interieur werd verfraaid met versieringsmotieven in Jugendstil stijl. De voordeur opende in een ruime hal met een mozaiek marmeren vloer van een bijzonder mooi decor. Boven elk van de drie eikenhouten kamerdeuren die in de hal uitkwamen was een reliëf van de vier jaargetijden aangebracht. Tegen een wand zag men een heel groot reliëf van opvallende plaatselijke persoonlijkheden, waaronder Rob Graafland zelf. En op de achtergrond in deze ruime hal pronkte een meer dan mensengroot marmeren beeld, voorstellende een mijnwerker die met zijn voet en hamer het wetboek vertreedt. Dit beeld was vervaardigd door Frans van der Laar en heette "De Jeker". Graaflands leerlingen maakten gobelins welke minitieus gekopieërd waren naar die uit het stadhuis van Maastricht. Zijn atelier bevond zich op de eerste verdieping en op het dak stond een vierkante toren met een puntdak. In deze schitterende woning kon Graafland zich naar hartelust aan zijn kunst overgeven. Hij trok zich terug in zijn atelier, gunde zich geen rust en zocht naar een stijl die hem voldoening schonk. In december 1903 werd een dochter, Suzanna, geboren.

Reis naar Amerika

In 1905 ondernam Graafland een reis naar Amerika. Hoe lang hij daar verbleef valt niet met zekerheid te zeggen, maar het zal enkele maanden zijn geweest. Drie prentbriefkaarten aan Wilhelmina Jelinger te Maastricht, zuster van de kunstschilder Han Jelinger, zijn respektievelijk gedateerd New York 4 juni 1905, New York 19 juni 1905 en New York 6 juli 1905. Waarom ging Graafland naar Amerika? Niemand weet het. Graafland zelf heeft er nooit over gesproken. Mevrouw Yvonne Graafland-Marres, schoondochter van Rob Graafland, zegt hierover in een intervieuw met Ieneke Suidman voor het kunstblad "Kunstwerk" (10): "Niemand heeft de motivatie voor die reis ooit begrepen". De redenen die Graafland bewogen Amerika te bezoeken zullen een gevoel voor avontuur zijn geweest dat zich op Amerika richtte, gekombineerd met een sterke artistieke interesse; hij wilde zich ori๋nteren in de artistieke ontwikkeling aldaar. Dit was zeer ongebruikelijk aangezien andere kunstschilders voor hun artistieke ontwikkeling Parijs bezochten, zoals bijv. de kunstenaars van de Haagsche School. Het is mogelijk dat hij in kontakt stond met de kunstenaar Antoon Molkenboer die van 1905 tot 1910 in Amerika verbleef, alsmede met de Limburgse kunstschilder Hubert Vos – een neef van zijn leerling Charles Vos – die in Amerika woonde. Molkenboer en Graafland hadden in dezelfde periode de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers te Amsterdam bezocht en zullen elkaar wel ontmoet hebben. Maar Molkenboer woonde in 1905 slechts zes maanden in New York en het is niet zeker dat deze periode samenviel met Graaflands verblijf aldaar. Wat daarentegen wel zeker is, is dat Rob Graafland Hubert Vos op Long Island bezocht. Dit moet in april of mei 1905 zijn geweest, want op 5 juni 1905 werd Hubert Vos op het paleis te Beijing ontvangen waar hij twee portretten schilderde van de Chinese weduwe-keizerin Cixi, en hij keerde pas in 1906 terug naar New York.

Jammer genoeg is er over deze reis naar Amerika weinig bekend. Vaststaat dat Graafland met Amerikaanse kunstbroeders in Staten Island (New York) het veld introk om te schilderen, dat hij Hubert Vos op Long Island bezocht en dat hij erin slaagde talrijke opdrachten voor schilderijen te krijgen. Ook bracht hij een bezoek aan een Indianenstam waar hij bij binnenkomst met de dood werd bedreigd. Pas nadat hij op papier, ten overstaan van de gehele stam, een snelle potloodtekening van het opperhoofd had gemaakt waarop deze trots en in vol ornaat stond afgebeeld, werd hij met rust gelaten en zelfs vriendelijk bejegend. Eenmaal terug in Maastricht schreef Graafland aan de bekende kunstcriticus Albert Plasschaert dolgelukkig te zijn dat hij in Limburg was teruggekeerd.

Het illustreren van les- en kinderboeken

Na zijn terugkomst in Maastricht werd in januari 1906 op de bovenste verdieping van de vierkante toren van Villa Aldegonda een zoon geboren, Charles genaamd. Financiële omstandigheden noopten Graafland zijn huis aan de Scharnerweg te verkopen en naar België te verhuizen. Op 2 september 1907 vertrok de familie Graafland voor korte duur naar Luik en daarna naar het dorpje Wandre tussen Luik en Maastricht. Zijn woning was naast die van apotheker Dery aan de spoorlijn bij het station. In Wandre werkte Graafland voornamelijk jarenlang aan opdrachten, vooral aan de Amerikaanse opdrachten die vandaar naar Amerika verscheept werden, en iedere dag reisde hij per trein of koets naar Maastricht om zijn lessen aan het Stadsteekeninstituut voort te zetten. Ook de lessen van de Zondagsschilderschool bleven doorgaan die een steeds grotere populariteit genoten. Aan enkele personen gaf hij privé onderwijs, zoals o.a. aan de broeders van het klooster de Beyard te Maastricht. Hierdoor kwam hij in kontakt met Broeder Cyprianus die zich geheel aan het onderwijs wijdde en wiens lesboekjes in het onderwijs over heel Nederland werden verspreid. Broeder Cyprianus Andreae schreef onder de pseudoniems A. Vincent en B.C. Kloostermans. Vanaf 1908 begon Graafland illustraties voor deze boekjes te leveren en dat heeft hij zijn hele leven gedaan, zelfs toen hij ernstig ziek was, zoals o.a. "Zien en Zeggen", "Rooms Kinderleven", "De Roomse Jeugd", "Bijbelse Vehalen", "Het Katholieke Leven", "Gods Volk" en "Ons Voorbeeld". Met deze tekeningen had Graafland veel succes omdat ze tot de verbeelding van de kinderen spraken en hun nieuwsgierigheid prikkelden. De tekeningen voor de leerboekjes waren over het algemeen bedoeld als voorbeeld voor gedrag en houding van de leerlingen; opzet en uitvoering vonden hun wortels in pedagogische gronden. Daarenboven wist Graafland in zijn tekeningen de tekst van het lesje gestalte te geven waardoor de leerlingen de stof gemakkelijker in zich op konden nemen. Mathieu Kemp noemde Graafland de eerste onder de beste illustratoren van de katholieke jeugdliteratuur. Behalve deze lesboekjes illustreerde Graafland ook kleuterboeken door T. Kiewiet, school-leesboeken zoals "Erik en Olle" door B.J. Douwes en talrijke leesboeken door andere schrijvers zoals o.a. "De zwarte vinger", "Stannie", "Indisch meisje", "Een kind van Java". In deze illustraties komen de figuurtjes van zijn echtgenote Maria en zijn twee kinderen Suzanna en Charles herhaaldelijk terug. Betreurenswaardig genoeg zijn de originele tekeningen samen met schilderijen in de Tweede Wereldoorlog bij het bombardement op 's Hertogenbosch verloren gegaan.

Een van de leesboeken van Albertine Steenhoff-Smulders die Graafland llustreerde was "Een Kind van 1813" (vrij naverteld door Roel Helling). Op de foto beneden de omslagtekening van Een Kind van 1813 poseren Rob Graafland, drie vrienden en zijn twee kinderen voor de achtergrond van deze tekening. Verkleedpartijen voor het illustreren van kinderboeken kwamen veelvuldig voor, zoals de andere drie foto's laten zien. Op deze foto's zijn vrienden en kinderen verkleed als figuren van "Een Kind van 1813" zodat Graafland schetsen voor zijn illustraties kon maken. Graafland had zoveel succes met zijn illustraties en kreeg zoveel opdrachten dat hij Edmond Bellefroid, een leerling van "De klas Graafland", vroeg om hem hierbij te helpen (12). Voorzover bekend illustreerde Graafland voor twee uitgeverijen: Malmberg in 's Hertogenbosch (katholieke lesboeken zoals o.a. "Zien en Zeggen", "Rooms Kinderleven", "Gods Volk", "Ons Voorbeeld"; avonturenboeken voor de jeugd zoals o.a. "Om 'n schat", "Z'n eigen weg gebaand"), en de Spaarnestad in Haarlem (avonturenboeken voor de jeugd zoals o.a. "Een Kind van 1813", "Bij Oom in Indië"). Bovendien illustreerde Graafland voor week- en maandbladen.

De Italiaanse tuin op St. Pieter

Op 21 maart 1911 verhuisde de familie Graafland van Wandre naar een groot huis in de Burgemeester Ceulenstraat 22 te St. Pieter nabij Maastricht. Het hoogtepunt van Graaflands scheppen en de gelukkigste periode van zijn leven waren thans aangebroken. Hij maakte zich los van de Rembrandt-bruine kleuren waarin hij tot nu toe voornamelijk geschilderd had - veel van zijn werken van de afgelopen tien jaar vernietigde hij - en hij ontwikkelde zijn eigen stijl, een romantisch impressionisme: fonkelende kleuren composities met een sterke romantische expressie die de schoonheid van het leven tot uitdrukking brachten. De visie van Graafland was die van de zon en het licht, de levensvreugde en de levensblijheid. Hij was een pure romanticus - hij liet het gevoel meespreken en nam dit in zijn schilderijen op - een toegewijd impressionist, een colorist wiens composities uit dromerige en idyllische onderwerpen bestaan. Zijn kleurenensemble is vol weelde en schittering, men treft er zijn hartstocht voor frisse, vlammende kleuren in aan, en de keuze van zijn onderwerpen doet Italiaans aan, staat diametraal tegenover die van zijn Hollandse kunstbroeders. Hans Redeker schreef in het NRC Handelsblad van 19 september 1975 naar aanleiding van de Rob Graafland overzichtstentoonstelling in het Cultureel Centrum te Venlo: "De tentoonstelling maakt het heel duidelijk, dat uit het oeuvre, dat Graafland in die jaren maakte, een beperkt ensemble van meesterwerken zou kunnen worden geselecteerd, maar waarmee hij dan ook volstrekt apart staat binnen de Hollandse schilderkunst van zijn tijd, of zelfs binnen de Europese".

St. Pieter was in die tijd omgeven door eenzame velden die uitliepen op de glooÏende hellingen van de St. Pietersberg. Achter zijn statige woning liet Graafland volgens eigen ontwerp een uitgestrekte, uit terrassen bestaande Italiaanse tuin aanleggen. Twee levensgrote witte stenen leeuwen in gehurkte houding op zuilen, gebeeldhouwd door zijn vriend de beeldhouwer Frans van der Laar, gaven toegang tot de tuin. Tussen eiken, appelbomen, sparren, seringbomen en bloemperken slingerden zandpaadjes langs sierlijke smeedijzeren banken, vazen, zuilen en beelden. Ook waren er enkele fonteinen waarvan de grootste beeldengroep door Frans van der Laar gebeeldhouwd was. En dan was er nog in het midden van het laagste terras een vijver, bewaakt door vier levensgrote gehurkte witte leeuwen op zuilen. Uitbundige feesten werden in deze tuin gehouden, zoals de gondelfeesten waarbij de feestvierders zingend en lachend in gondels op het water ronddobberden; de gondels had Graafland volgens Venetiaans ontwerp laten maken. Deze Italiaanse tuin is in vele van zijn werken tussen 1911 en 1919 terug te vinden. De lessen van de Zondagsschilderschool vonden van nu af aan hier plaats. Graafland zelf schilderde dag en nacht. Zijn zoon Charles legde in zijn notities uit hoe zijn vader te werk ging. Graafland schilderde een schilderij dikwijls in één dag, maar hij kon er ook maanden of jaren over doen. Zijn geliefkoosde gewoonte om een schilderij af te maken waar hij lange tijd niet naar had omgekeken, was om rond drie uur 's ochtends uit bed te stappen, het betreffende doek op de ezel in zijn atelier te zetten en hard te werken. Tegen zonsopgang was het voltooid.

Frits Goovaerts, de zoon van de kunstschilder Henri Goovaerts, schreef op 22 november 1962 aan Suzanna, de dochter van Graafland: "Vaak zie ik de Maasvallei voor me en de akkers van de boertjes op St. Pieter, zoals dat vroeger was. Aan Charles liet ik al weten hoe jullie tuin me nog helder voor de geest staat. Die verdroomde sfeer van een nazomerdag, toen de zoetappels in het fonteintje dreven, terwijl de witte leeuwen mediterend voor zich uitkeken en het gedreun van een binnenkomende oogstwagen over de schuur van de burgemeester tot je doordrong. Het was toen nog zo onbedorven stil zonder straaljagerlawaai en bromfietsen. Wat wisten wij bovendien hoe onfris het in de wereld kan zijn. Het was een korte maar zeer mooie tijd."

Charles haalde deze tuin in een toespraak aan voor zijn zuster Suzanna tijdens een diner op 28 december 1963. "In het midden van een ronde vijver stond een beeldengroep, om de vijver stonden geflankeerd vier massief gebeeldhouwde leeuwen op ware grootte, trots en grimmig als strenge wachters. Het water weerkaatste de stralen van de zon en vormde als het ware miljoenen flonkerende edelsteentjes ....... In de verte hoorde ik de basstem zingen van Joseph Joosten, begeleid door piano en gitaar; door de ijzeren poort van de tuin kwamen de leerlingen binnen van de kunstacademie om je te schilderen onder de bloembollenboom ....... Ik liep het huis uit en buiten op de weg bleef ik versteld staan. Voor me op een levensgroot paard zat Napoleon, zijn hand in zijn vest zoals hij altijd deed, en naast hem een meisje dat gekleed was in een lange gele jurk met veel kant en een brede luifelhoed op haar hoofd; gouden krullen vielen over haar schouders. Ze zag er lief maar verschrikt uit. Toen zag ik dat jij 't was, Suze. Ik keek de andere kant van de weg op en begreep de ontsteltenis, want daar kwamen boeren aan met lansen, hooivorken en zeisen die steeds 'revolutie' schreeuwden. 'Suze', riep ik, 'wat betekent dit allemaal?' 'Stil', zei jij toen, 'we spelen het kind van 1813. Pake staat te tekenen op het balkon.' Ik keek naar boven en waarachtig, Pake tekende op verschillende vellen papier schetsen om de situaties zo vlug mogelijk vast te leggen."

Andere kunstenaars verzamelden zich rond Graafland, zoals de kunstschilders Henri Goovaerts, Herman Gouwe, Chris Hammes en Willem van Konijnenburg; Henri Hermans, dirigent van het Maastrichter Stedelijk Orkest; en de operazanger Joseph Joosten, bariton, zanger van de opera's te Lyon, Dijon, Antwerpen en Luik. Bij Graafland op St. Pieter werd 's avonds door de week en op zondags hartstochtelijk gediscussieërd en enthousiaste muziekavonden gehouden. Het harmonium werd dan onder de appelboom geplaatst, en Henri Hermans begeleidde Joseph Joosten die een aria uit de Faust zong ten overstaan van genietende vrienden en leerlingen. Charles Hollman speelde cello, en Graafland zong met zijn tenorstem dikwijls liederen uit de "Schöpfung" van Haydn en droeg gedichten van Schubert voor. Graafland was zeer gesteld op muziek. Tijdens het schilderen speelde een pianola waarvoor elke week nieuwe rollen van klassieke componisten werden bezorgd; Bach, Beethoven, Mozart, Tschaikowsky en in het bijzonder Haydn hadden zijn voorkeur. Er waren nog twee andere plaatsen waar vrienden en leerlingen samenkwamen: eveneens op zondagavond op het atelier van Henri Jonas, en in Café Suisse op het Vrijthof te Maastricht waar ze bekend stonden als "De bende van de Suisse".

Herman Gouwe, afkomstig uit Alkmaar, schreef in zijn niet-gepubliceerde autobiografie dat hij Limburg voor de eerste keer in zijn academietijd bezocht toen hij tijdens een vakantie in Gulpen werkte (p. 18). Enkele jaren later keerde hij terug naar Gulpen en ontmoette Graafland in Maastricht, zijn tijdgenoot van de Academie, die hem introduceerde bij zijn vrienden in Café Suisse (p. 19). In het voorjaar 1911 logeerde Gouwe bij afspraak bij de familie Graafland en werd hij lid van de Limburgsche Kunstkring (p. 19 en p. 20). Daarna logeerde hij in de zomermaanden dikwijls bij Graafland waar hij zijn pied à terre had. Charles Graafland schreef in zijn notities dat Gouwe jaren bij zijn ouders logeerde (waarmee hij waarschijnlijk bedoelde dat Gouwe jarenlang zijn pied à terre bij Graafland had), en dat de "bagage" die Gouwe voor zijn verblijf vooruit zond uit een klein pakje bestond waarin een lucifersdoosje zat dat tandpasta, tandenborstel en kam bevatte. Vele jaren later vertelde Charles hoe tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn vader, Gouwe en hijzelf samen op een heuvel dichtbij Maastricht naar de bombardementen in België gingen kijken. Gouwe schreef over Graafland in zijn niet-gepubliceerde autobiografie: "Hij woonde in een groot en mooi huis aan de buitenkant van Maastricht op St. Pieter. Hij was erg populair en hij had een luchtige philosofische trek in zijn karakter en zijn schilderijen straalden vreugde uit" (p. 20). Gouwe woonde vanaf 1927 in Tahiti, en bij zijn eerste en laatste bezoek aan Nederland in 1959 schreef hij in zijn niet-gepubliceerde autobiografie over zijn ontmoeting met mevrouw Suzanna Twaalfhoven-Graafland: "Ik had mevrouw Twaalfhoven gekend vanaf haar prille jeugd want zij was de dochter van mijn vriend en collega Graafland te Maastricht bij wie vroeger altijd mijn pied à terre was als ik in de zomer naar Limburg kwam" (p. 79). En eveneens in 1959: "Aan de wand [bij Twaalfhoven-Graafland] hing een groot schilderij 'Ploegende Paarden' dat had ik vroeger eens voor mijn vriend Graafland gemaakt" (p. 80). Herman Gouwe en Suzanna Graafland correspondeerden met elkaar tot Gouwe's dood (1965), en hij stuurde Suzanna vanuit Tahiti schilderijen op waarmee zij in zijn naam tentoonstellingen in Nederland organiseerde (13).

Het persoonlijke leven van Graafland

Het huwelijk van Rob en Maria was een gelukkig huwelijk en Rob was een vrolijke vader die veel tijd besteedde aan zijn kinderen. Suzanna en Charles hadden een bijzonder fijne jeugd en Rob en Marieke (Maria) deden veel voor hen. De kinderen vermaakten zich vooral op de boerderij van hun buurman, de burgemeester van St. Pieter. In zijn tuin had Graafland een houten huisje laten bouwen waar de kinderen met hun vriendjes konden spelen en waar ze, zoals Charles in zijn notities vermeldde, vooral als het regende "dolle pret" hadden. Natuurlijk genoten de kinderen van de talloze verkleedpartijen waaraan zij deelnamen als Graafland schetsen maakte voor kinderboeken illustraties. Rond Sinterklaas organiseerden Rob en Marieke allerlei leuke evenementen. Graafland ruilde schilderijen voor geweren en Charles, zo jong als hij was, bezat een grote collectie geweren waaronder een olifantengeweer. Met zijn vriendjes schoot hij in een hoek van de Italiaanse tuin op doelen die vóór een schutting werden geplaatst (deze geweren werden in 1940 door de Duitsers geconfisceerd). Suzanna poseerde met of zonder een vriendinnetje regelmatig voor de Zondagsschilderschool en kreeg van tijd tot tijd van de leerlingen een doos bonbons of pralines. Ook Charles poseerde soms en kreeg voor iedere keer één cent (voor drie cent kon hij een kleine reep chocolade kopen). De hond Flip haalde elke dag voor Graafland de krant in Maastricht op en bracht de kinderen naar school in Maastricht, waarop hij vrolijk terug naar huis draafde. En in 1918 mochten Suzanna en Charles met de Franse piloot Duchereux in zijn vliegtuig opstijgen. een model dat met baleinen en spandoeken aan elkaar zat. Er werd een kwartier lang boven stad en omgeving gevlogen, en na de landing kwamen de kinderen glunderend langs het hoge trapje van de cockpit naar beneden.

Jean van de Voort schreef in "Kunst in Limburg" (11) over Graafland: "Naast een sterk persoonlijke stempel, ligt over heel de reeks zijner doeken, in niet te miskennen schittering, de mooie weergave van een innige, dichterlijke ontroering, die elk stuk vormt tot een gedicht in kleuren." Graafland koos inderdaad soms een dichterlijk motief om deze in een schilderij tot uitdrukking te brengen. Van de Voort vervolgt: "Jonge Liefde (1918), is de dichterlijke uitbeelding van het vers van Gottfried Mann:"

"De zon stond hoog, de lente zong door het lover,
De ganse wereld zong hun tegemoet,
Hij boog 't gelaat, al fluist'rend, tot haar over,
Naast 't kopje naast hem, rood van rozengloed..."

Poëzie en muziek oefenden een grote invloed op het leven van Graafland uit. Zijn geliefde onderwerp "Levensgang" was ontleend aan het oratorium de "Schöpfung" van Joseph Haydn. Het was ook dank zij het luisteren naar de "Schöpfung" dat Graafland na zijn langdurige ziekte opnieuw het palet opnam (12). Van der Voort: "Telkens als Graafland het edelste ter wereld, het menselijk wezen schildert, weet hij te vermijden, wat velen in het modern werk soms schokt, en uit de ruw geborstelde kleurenvlakken droomt, in doorvoelde fijnheid, het vergeestelijkt gelaat."

Tentoonstellingen

Rob Graafland begon voor het eerst te exposeren op 29 oktober 1908 in de Larensche Kunsthandel te Amsterdam. De reden voor deze lokatie was dat hij zich niet alleen tot Maastricht wilde beperken. In 1911 schreef hij aan de bekende kunstcriticus Albert Plasschaert dat hij in het zuiden tien jaar volkomen geisoleerd had gezeten en: "Al mijn werk vernietigde ik totdat ik moest exposeren, dat is ongeveer twee jaar geleden". Wel werden er op zijn ateliers doeken verkocht. Het schilderij Le cygne mechant dat in 1908 in de Larensche Kunsthandel werd tentoongesteld, imponeerde de jury van de schildersvereniging Sint-Lucas te Amsterdam dusdanig dat zij Graafland in 1909 uitnodigden om lid te worden van hun vereniging.
Graafland exposeerde voor de eerste keer met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum te Amsterdam van 11 april tot 16 mei 1909; zijn bijdragen waren o.a. "Picknick" en "Le cygne méchant". Op deze tentoonstelling introduceerde hij Guillaume Eberhard bij Sint-Lucas (14). Enkele mede-exposanten waren: Leo Gestel, J. H. Jurres, Gerrit Willem Knap (een vriend van Graafland), Piet Mondriaan, Martin Monnickendam en Jan Sluyters. De kritieken over Graafland waren zeer gunstig. Professor Dake, Graaflands leermeester aan de Rijksacademie te Amsterdam, schreef over hem: "Het grote schilderij 'Picknick' is werkelijk van buitengewoon talent en een revelatie voor mij, die de schilder enkele jaren geleden onderwijs gaf".
Het jaar daarop, van 24 april 1910 tot begin juni, nam Graafland opnieuw deel aan een tentoonstelling met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum, ditmaal met "Picknick", "Japanse Parasol" en "Mijmering". Leo Gestel, Herman Gouwe, Ferdinand Hart Nibbrig, J. H. Jurres, Gerrit Willem Knap, Piet Mondriaan, Martin Monnickendam en Jan Sluyters bevonden zich onder de mede-exposanten.
Mathieu Kemp, een leerling van "De klas Graafland", schreef in 1956 in het voorwoord van de catalogus voor de Rob Graafland tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum te Maastricht: "Hij is een der eerste Limburgers waarmee het zo verwende Noorden des lands kan kennis maken en hij is er begroet als 'schilder der zonnigheid'".

Behalve lid van Sint-Lucas was Graafland van 1907-1913 ook lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae te Amsterdam. Maar hij nam slechts aan één tentoonstelling deel, namelijk in april / mei 1909 aan de tentoonstelling van kunstwerken vervaardigd door leden der maatschappij. Hij exposeerde met het werk "Secrèt de Fleurs" (15).

Het verzenden van schilderijen naar tentoonstellingen leverde in die tijd grote problemen op aangezien er geen snelle en veilige verbinding bestond tussen het afgelegen zuiden en het noorden. Graafland loste deze op door zijn werken in enorme houten kratten te verpakken en per Janssens boten naar Amsterdam te verschepen.

De Limburgsche Kunstkring

Sint-Lucas zal Graafland geinspireerd hebben tot het oprichten van de Limburgsche Kunstkring, een officiëel trefcentrum van kunstenaars die elkaar zouden inspireren, Limburg in het noorden vertegenwoordigen en talenvolle jongeren opvangen, kortom, zodat het jonge kunstenaarschap in Maastricht niet alleen vaste voet zou krijgen maar ook wortel zou schieten. Mathias Kemp schreef op 4 mei 1940 in de "Limburger Koerier" in zijn "In Memoriam Rob Graafand" (zie beneden) dat Graafland als de oprichter van de Limburgsche Kunstkring kan worden beschouwd. In 1910 kwam de Limburgsche Kunstkring tot stand samen met Jan Bakhoven, Guillaume Eberhard, Rob Graafland, Henri Jonas, Johannes van der Kooij, Jos Narinx en Vic Reinders (Herman Gouwe werd lid in 1911). Graafland werd voorzitter en de eerste tentoonstelling vond plaats op 5 maart van dat jaar in de Dominicanerkerk te Maastricht. Ongeveer tweehonderd schilder- en beeldhouwwerken van negen leden der vereniging werden bijeen gebracht: Herman Bopp, Jules Brouwers, Guillaume Eberhard, Henri Goovaerts, Robert Graafland, W. A. van Konijnenburg (die tijdelijk in Meersen heeft gewoond), Reymans, G. Windt, en beeldhouwwerk door Frans van der Laar. Graafland exposeerde met een vijftigtal schilderijen waaronder "Picknick", "Japanse parasol" en "Mijmering". Ook kwam hij met pentekeningen en een aquarel "Brug" voor de dag. Door hun felle coloriet en hun romantische inhoud stonden de schilderijen in het middelpunt van de belangstelling.

Onderscheidingen

In 1911 nam Graafland deel aan twee tenstoonstellingen met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum te Amsterdam. De eerste tentoonstelling werd gehouden van 30 april tot 11 juni en Graafland exposeerde met "Chanson d'autrefois", "Idylle", "Le jardin du chateau", "Lente en liefde" en "Rode auto". Vooral "Rode auto" trok vanwege de weelde van kleuren emorme belangstelling. Het tijdschrift "De Kunst" vond "Rode auto" een prachtig brokje kleur. Een niet-bekend blad schreef: "Robert Graafland streeft Monticelli na. Evenals die beroemde meester van sappige fantastische kleuren maakt hij mooie roden, blauwen en groenen en weeft daartussen warme tonen". Ook "De Telegraaf" trok een vergelijking tussen Graafland en Monticelli. Het feit dat een auto werd afgebeeld was op zich al opmerkelijk. Enkele mede-exposanten waren: Leo Gestel, Herman Gouwe, Chris Hammes (uit Maastricht), Ferdinand Hart Nibbrig, Gerrit Willem Knap, Martin Monnickendam en Jan Sluyters. De tweede tentoonstelling vond zes maanden later plaats van 17 december 1911 tot 16 januari 1912. Graaflands bijdragen waren "Kindje" (pastelschets), "Herinnering Versailles" (pastelschets), Borduurster (pastelschets) en "Studie voor schilderij" (rood-krijttekening). Ook o.a. Guillaume Eberhard, Leo Gestel, Herman Gouwe, Chris Hammes, Martin Monnickendam en Jan Sluyters waren weer aanwezig.

In 1912 viel Graafland een grote onderscheiding ten deel. Uitgenodigd voor deelname aan de Exposition Internationale Musée Municipale in het Stedelijk Museum te Amsterdam, van 13 april tot juli, werd hem voor zijn schilderij "Lezend meisje" ("Liseuse") de Bronzen Medaille van de Stad Amsterdam toegekend . Korte tijd later waren briefkaarten van dit schilderij bij boekhandels over het gehele land verkrijgbaar. De expositie was groots opgezet met olieverfschilderijen uit Nederland en 16 andere landen, waaronder België (30), Duitsland (61), Engeland (44), Frankrijk (80), Hongarije (42) en Italië (53); beeldhouwkunst uit 13 landen (inclusief Nederland); aquarellen en pastels uit 14 landen (inclusief Nederland) en prenten en tekeningen eveneens uit 14 landen (inclusief Nederland). Enkele Nederlandse mede-exposanten van olieverfschilderijen waren: prof. Carel L. Dake (leermeester van Rob Graafland op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam), Isaac Israels, J. H. Jurres, Gerrit Willem Knap, H. W. Mesdag, Martin Monnickendam, Ferdinand Hart Nibbrig en Jan Sluyters. Het gevolg van Graaflands deelname was dat professor C. L. Dake en twee hoogleraren van de Amsterdamse academie, P. H. van Moerkerken en J. H. Jurrus, samen speciaal een reis naar Maastricht ondernamen om zich op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de beeldende kunsten aldaar. Zij werden geziene gasten bij Graafland op St. Pieter.

Een van de leerlingen die op het Stadsteekeninstituut de aandacht van Graafland trok was Henri Jonas, een jongeman die op een fabriek werkzaam was. Graafland herkende zijn bijzonder talent en nam hem in zijn Zondagsschilderschool op. Nadat Graafland zich op Villa Aldegonda had gevestigd, nodigde hij Jonas en zijn vrouw uit bij hem in huis te komen wonen zodat hij hem een speciale opleiding kon geven. Daartoe richtte hij een atelier voor Jonas in. De karakters van beide mannen botsten echter en niet lang daarna betrokken Jonas en zijn vrouw een eigen woning in Maastricht. Maar de opleiding van Jonas door Graafland werd hierdoor niet in gevaar gebracht.

Graafland introduceerde Jonas voor de eerste keer bij Sint-Lucas in het Stedelijk Museum te Amsterdam op de tentoonstelling van 21 december 1913 tot 21 januari 1914. Eberhard nam ook deel en Graafland verscheen met vijf werken; het aantal bijdragen van Jonas en Eberhard is niet bekend. De tweede keer dat Jonas samen met Graafland met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum exposeerde was van 3 mei tot 9 juni 1914; Graafland bracht slechts één schilderij: "Meisjes in de zon". De tweede keer dat Graafland, Jonas en Eberhard samen met Sint-Lucas in het Stedelijk Museum exposeerden vond plaats op de tentoonstelling van december 1915 tot januari 1916; Graafland exposeerde met zeven werken. Jonas trok ieders belangstelling met een reusachtig doek, "Trajectum ad Mosam", dat hij na afloop van de tentoonstelling aan Graafland schonk zonder wie hij, zoals hijzelf later in zijn leven erkende, op het gebied van de schilderkunst niet zou hebben bestaan.

In september 1916 nam Graafland op uitnodiging deel aan een tentoonstelling van de 's Hertogenbossche Kunstkring. Voor zijn twee bijdragen "Levensvreugde" en "Meisjes in de zon" werd hem de Gouden Medaille toegekend die hij uit handen van H.M. Koningin Wilhelmina ontving. "Levensvreugde" kreeg een ereplaats in de zaal vanwege de aantrekkelijke originaliteit en fijne kleurenweelde. Dolf van Engelen, de secretaris van de 's Hertogenbossche Kunstkring, telegrafeerde Graafland op 1 september over deze onderscheiding, waarna het nieuws zich als een lopend vuurtje door de gemeente verspreidde. Diezelfde avond bracht de fanfare van St. Pieter, omstuwd door bewoners uit St. Pieter en Maastricht, Graafland een uitbundige serenade. Charles herinnerde zich jaren later met plezier hoe zijn vader na deze ceremonie alle aanwezigen, fanfare en bewonderaars, uitnodigde om dit gedenkwaardige feit in zijn huis te komen vieren, en hoe hij, Charles, elf jaar oud, de volgende dag alle lege flessen in huis en tuin mocht oprapen en bij de winkels inleveren en het statiegeld houden.

In 1917 vertrok Henri Jonas naar Amsterdam om aan de Rijksakademie te gaan studeren. Graafland was erin geslaagd van de stad Maastricht een stipendium voor hem te krijgen.

Tegenslagen en depressies

Robert Graafland had thans het hoogtepunt van zijn carrière bereikt. Als leraar had hij begaafde leerlingen opgeleid en in Amsterdam geintroduceerd waar hun schilderijen op exposities werden tentoongesteld. Als kunstschilder werd hij erkend en bewonderd, zijn schilderijen brachten hem roem in zowel Limburg als Holland. Hiernaast vond hij vreugde in zijn huwelijk en zijn gezin. Zijn werklust die hem al deze jaren opwaarts had gestuwd scheen onuitputtelijk te zijn. Maar volkomen onverwacht kwam er een einde aan dit alles.

Graafland ondervond zware tegenslag op financieël gebied. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog ging een levensverzekering van 20.000 goudmark, enkele jaren vóór 1914 in het Duitse Keizerrrijk afgesloten, hetgeen toendertijd gebruikelijk was, in rook op. Een investering in mergel-exploitatie liep op niets uit. En zijn gezondheid ging achteruit. De eerste symptomen van een naderende depressie begonnen zich te openbaren waardoor zijn scheppingsdrift werd aangetast. Hij begon aan depressies te lijden die steeds veelvuldiger optraden en hij viel ten prooi aan moeheid en sufheid, zwaarmoedigheid en neerslachtigheid. Er braken dagen aan dat hij fysiek niet meer in staat was te werken, en die dagen groeiden uit tot maanden, jaren. Langzaam en onafwendbaar werd hij met het verstrijken der jaren zeer ernstig ziek. Daarbij kwam dat er ingrijpende veranderingen in het culturele leven van Maastricht plaatsvonden. Zijn leerlingen waren opgegroeid en hun eigen weg ingeslagen, wat Graafland altijd had aangemoedigd, en sommige leerlingen en ook vrienden van de Limburgsche Kunstkring waren uit Maastricht vertrokken. Het Stadsteekeninstituut was in de periode 1914-1918 in verval geraakt. Dit had niet alleen te maken met de mobilisatie en het daardoor ontstane ruimtegebrek voor de leerlingen (verpleging van Duitse en Belgische militairen in de Augustijnerkerk), maar ook met de Patronaatsteekenschool, door kapelaan Rutten en de literator Fons Olterdissen in 1893 gesticht, die thans een grotere aantrekkingskracht op de arbeidende jeugd uitoefende. Op 4 september 1918 vroeg Graafland ziekteverlof aan dat hem op 17 september door B. en W. werd verleend, en een jaar later, op 22 september 1919, nadat hij een keuring van de Pensioenraad moest ondergaan, werd hem door B. en W. eervol ontslag verleend; hij was vierenveertig jaar oud. De Zondagsschilderschool hield op te bestaan. Het kwakkelende Stadsteekeninstituut nam snel in betekenis af en werd op 1 oktober 1926 omgezet in de Kunstnijverheidsschool met Joseph Postmes als eerste directeur. Acht jaar later overleed Postmes en werd opgevolgd door A. J. J. Scheffers. Het Tekenonderwijs van het Stadsteekeninstituut ging over naar de Patronaatsteekenschool.

Enkele tentoonstellingen

Al trok Graafland zich uit de schilderswereld terug, toch bleef hij nog voorlopig deelnemen aan tentoonstellingen.

Zo exposeerde hij in augustus 1918, december 1920 en 1921 met de Limburgsche Kunstkring in Maastricht.

In 1920 kreeg Graafland van de vereniging Nederland in den Vreemde, via het Stedelijk Museum te Amsterdam, een uitnodiging om deel te nemen aan een expositie in Brighton, Engeland. Graafland stuurde "Young Love" and "Joy of Life" op. UIt het historisch overzicht van de vereniging in 1953 blijkt dat deze tentoonstelling achtereenvolgens in Blackpool, Bradford, Sunderland en Londen is geweest.

En in december 1922 hield de 's Hertogenbossche Kunstkring een tentoonstelling waar ook Graafland voor werd uitgenodigd. Honderdzestig inzendingen uit het zuiden gaven een beeld van de toenmalige ontwikkeling der Beeldende Kunsten in Brabant en Limburg. Dit was de laatste keer dat Graafland aan een tentoonstelling deelnam. Pas dertien jaar later zou hij daartoe weer in staat zijn.

Andere aktiviteiten

Op 29 augustus 1922 verhuisde de familie Graafland van St. Pieter naar St. Servaasklooster 23 te Maastricht, een woning naast het Staargebouw dat Graafland verfoeide, omdat het zonder een zweem van artisticiteit was ontworpen. Dit keer richtte hij geen atelier in; zijn palet, ezel en schildersmateriaal bleven onaangeroerd. Vanuit zijn studeerkamer had hij uitzicht op het Hendrik van Veldekeplein, de St. Janskerk met zijn Gothische toren en het portaal van de St. Servaaskerk. Er was geen tuin. In zijn kamers getuigden talloze schilderijen van zijn jaren van scheppen en onderwijzen. Een ongewilde periode van stilstand op het gebied van de schilderkunst brak aan die tot 1934 zou duren. De verschijnselen van Graaflands ziekte konden toendertijd niet door de medische wetenschap worden opgelost. Hoewel hij zich tot verscheidene artsen wendde, kon geen van hen hem daadwerkelijk helpen. Naarmate de jaren verstreken nam de depressie zelfs in hevigheid toe. Ondanks deze verlammende periode legde Graafland zich niet zonder meer bij de stand van zaken neer. Al maakte zijn ziekte hem het schilderen onmogelijk, toch deed hij zijn best om zijn geest op andere zaken te richten.

Hij werd tekenleraar aan de R.K. Huishoudschool Wijckerveld te Maastricht waar hij veel aandacht besteedde aan decoratief tekenen. Daarnaast vervaardigde hij tekeningen met het doel kinderen op aanschouwelijke wijze de Franse taal bij te brengen, en maakte hij ontwerpen voor o.a. handgeknoopte vloerkleden, kussens en gobelins, alsmede ontwerpen voor toegepaste kunst zoals wapenschilden, ramen en reklame onderwerpen.

Hij legde zich meer dan ooit toe op het illustreren van kinderboeken en week- en maandbladen.

Vanaf 1920 was hij lid en voorzitter van de Schoonheidscommissie van Maastricht, Houthem en Valkenburg. In deze capaciteit waakte hij ervoor dat gebouwen en monumenten van historische waarde zouden worden afgebroken en was hij betrokken bij tal van gelijksoortige zaken. Hier volgen enkele voorbeelden die achterhaald konden worden.

Zo had Graafland al vóór 1913 fel de plannen aangevallen voor de bouw van het station in Wijck zoals het thans nog bestaat, ontworpen door ir. G. W. van Heukelom, waardoor de toegang van de andere kant van het spoor naar de stad werd afgesloten. In plaats daarvan pleitte Graafland heftig voor de aanleg van het station zodanig dat Maastricht zich in de richting Scharnerweg zou kunnen uitbreiden. Een minderheid van de raadsleden was het met hem eens en wilde de plannen verwerpen, maar de Spoorwegen reageerden met het volgende ultimatum: als de plannen niet werden geaccepteerd, zou het houten gebouwtje dat toen als station fungeerde niet worden vervangen. Voor dit dreigement zwichtten de raadsleden, volgens Graafland volkomen onterecht, daar de Spoorwegen te veel belang hadden bij het optrekken van het nieuwe station. In 1915 was het nieuwe station voltooid. Begin 1960 heeft men deze onhandige plaatsing van het station ongedaan gemaakt door onder de spoorwegovergang aan de Scharnerweg een tunnel te graven, enkele honderden meters terzijde van het station, die aansluit op de snelweg naar Maastricht. De opening vond plaats in 1963.

Toen het plan van de Rijksbouwmeester ir. Bremer inzake de verbouwing van de oude Maasbrug en de bouw van de nieuwe Maasbrug onthuld werd, was de Schoonheidscommissie er niet mee ingenomen. Op 20 januari 1930 werd Graafland door de "Limburger Koerier" gevraagd om zijn opinie hierover te geven. Graafland voldeed aan dit verzoek, maar wilde slechts zijn zijn persoonlijke visie geven en niet zijn visie als woordvoerder van de Schoonheidscommmissie.

Ook oefende hij kritiek uit op de restauratie van de St. Janstoren. In de "Limburger Koerier" van 16 mei 1931 publiceerde hij het artikel "De verminking van een monument". Het "Algemeen Handelsblad" van 24 mei 1931 citeerde een gedeelte hiervan en analyseerde zijn kritiek, waarop de "Limburger Koerier" van 2 juni 1931 Graaflands reactie op deze kritiek gaf.

En op 4 januari 1934 verscheen er een artikel van Graafland in de "Limburger Koerier"waarin hij zijn advies gaf voor het uitbreidingsplan van Maastricht dat op tafel lag.

Herstel

Op 29 september 1933 verhuisde de familie Graafland van Maastricht naar Vught. Enkele weken later, in oktober, verergerde de depressie van Rob Graafland dusdanig dat hij zichzelf door het hoofd schoot. Miraculeus overleefde hij het, maar hij verloor zijn rechteroog en werd in het psychiatrisch ziekenhuis Voorburg te Vught verpleegd. Paradoxaal genoeg was hij korte tijd later volkomen genezen. Na een ziekte van veertien jaar kwam de drang om te schilderen onmiddellijk weer terug. Maar al was Graafland genezen, toch was hij niet meer de man die hij vroeger was geweest, zoals hij op 7 september 1935 aan de kunstcriticus Plasschaert schreef. Uiterlijk was hij fysiek en psychisch hersteld, maar innerlijk had de ziekte hem terdege aangegrepen. En als gevolg van het verlies van zijn rechteroog had hij het gevoel voor diepte verloren. Hoewel Graafland zich gedurende de volgende jaren vooral op portretschilderen toelegde, schilderde hij vele andere onderwerpen, zoals danseressen, bruidjes, naakten, kinderen, moeder en kind en paarden. Omstreeks die tijd schilderde hij in opdracht van de heer van Beuningen een portret van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina dat na voltooing door de opdrachtgever aan het stadhuis in Vught werd geschonken.

Graafland begon weer aan tentoonstellingen deel te nemen. Zijn eerste tentoonstelling sinds 1922 was een grote tentoonstelling in juli 1935 ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van de stad 's Hertogenbosch; Graafland was bijna zestig jaar oud. Zijn schilderij "Levensbron" kreeg de eerste prijs. In februari 1936 hield hij een tentoonstelling van zesenveertig eigen werken in de kunstzalen van huize Statenlaan 71 te Den Haag: etsen, aquarellen, tekeningen, en olieverven zoals "Levensbron", "Lezende dame op sofa", "Mevrouw Graafland" (een portret van zijn echtgenote) en ruiterportretten. De recensent J. R. van een niet-bekende krant beschreef een van de ruiterportretten in zijn recensie van 8 februari 1936 als volgt: "....... het levensgrote, statige en imposante portret van een lid der Koninklijke Nederlandse Jachtvereniging, dat zich ook overigens, door het vlammend rood der kleding, van het andere werk onderscheid". "Levensbron" maakte een zeer grote indruk. J. R. vervolgt zijn recensie met: "....... de schilderijen die niets zijn dan een verheerlijking van het leven, een getuigen van de schoonheid van het aardse .......". Enkele maanden later exposeerde Graafland op de Olympiade tentoonstelling te Berlijn met het portret van de ruiter Charles Pahud de Mortanges gezeten op zijn paard Mädel Wie Du, waarvoor hij de Bronzen Medaille ontving. In Januari 1937 hield hij een tentoonstelling van eigen werken in de Openbare Leeszalen te 's-Hertogenbosch. En in 1938 nam hij in de Dominicanerkerk te Maastricht deel aan een tentoonstelling ter ere van het veertig-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

In 1938 gaf Graafland zijn teruggetrokken leven op en de familie Graafland verhuisde naar Den Haag waar zij zich in de Wilhelminastraat 31 vestigde. Een van de schilderijen die daar tot stand kwam was "De Stervende Zwaan", een triptiek, ontleend aan het ballet "Het Zwanenmeer" door Tsjaikofski. Een groot gedeelte van de hier gecreeërde doeken zijn op 3 maart 1945 tijdens het geallieërde bombardement op Bezuidenhout verloren gegaan. In september 1938 nam Graafland deel aan de tentoonstelling Veertig Jaar Limburgsche Kunst in de Dominicanerkerk te Maastricht; zijn vijf bijdragen waren: "Kinderportret", "Meisje in Chinees kostuum", "Slapend meisje" (een naaktstudie), "De Ring" (een studie) en "Sluierdans". De kritieken waren lovend. Een jaar later, in 1939, ontvluchtte Graafland de drukte van Den Haag en keerde terug naar zijn vroegere woning in Vught. Daar schilderde hij o.a. het portret van zijn vriend Hubert Cuypers, componist, dirigent en organist, die in 1943 dit olieverf portret als geschenk van het Amsterdamse Concertgebouw ontving ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Datzelfde jaar, 1939, nam Graafland op uitnodiging deel aan een tentoonstelling van de Bredasche Kunstkring te Breda, wat zijn allerlaatste tentoonstelling bleek te zijn (er zijn geen kritieken aanwezig in het Kunsthistorisch Documentatiebureau te Den Haag).

In Memoriam Rob Graafland

In 1940 begon een kwaadaardige ziekte de lichamelijke krachten van Graafland te ondermijnen, de diagnose was kanker. In korte tijd verzwakte hij zo ernstig dat hij niet meer in staat was zijn doeken op te spannen; de drang tot schilderen bleef echter bestaan. Hendrik de Laat uit 's Hertogenbosch, vriend en medewerker, spande tijdens de laatste weken van Graaflands leven zijn doeken voor hem op. Zijn laatste werk was de staande gesluierde bruid met een boeket bloemen in haar samengevouwen handen, het was hem niet gegeven dit werk te voltooien. Aangezien zijn toestand kritiek werd, moest Graafland in het Sint Joseph ziekenhuis te Heerlen worden opgenomen waar een vriend, de uit deze stad afkomstige chirurg E. Hustinx, hem opereerde. Ondanks deze hulp overleed Graafland in de ochtend van zondag 28 april 1940 op de operatietafel. De ter aarde bestelling vond plaats op 1 mei. De kunstschilder Han Jelinger kwam namens de Limburgsche Kunstkring Graafland de laatste eer bewijzen. Hubert Cuypers wijdde treffende woorden aan de nagedachtenis van zijn vriend die hij zo lang, sinds beider studiejaren in Amsterdam, had gekend.

Mathieu Kemp, leerling van "De klas Graafland", publiceerde op 4 mei 1940 in de "Limburger Koerier" een artikel getiteld "In Memoriam Rob Graafland". Hierin stipte hij de talloze verdiensten van Graafland aan. Hij schetste hem achtereenvolgens als:

- schilder: "Graafland toonde zich evenwel een kunstenaar van ander type [dan Corot en Thijs Maris], minder innig en waarlijk verdroomd wellicht, doch met vlotter bravour, feller virtuositeit en brillanter kleur. Het werk uit deze sfeer is wel het allermooiste en meest persoonlijke dat Graafland ons schonk"

- leermeester en pedagoog: "....... Graafland mogen we zeker als een der grondleggers [van een Limburgsche School] aanwijzen. Tenminste voor de Maastrichtse groep daarin ....... De Maastrichtse sector ontstond in het Stadsteekeninstituut, waaraan Graafland als leraar M.O. handtekenen en voor de schilderklas verbonden was. 's Zondagsmorgens kwamen daar, gedurende verschillende jaren jongere schilders samen ....... Graafland was onder zijn oudere en jongere leerlingen niet wat men zou kunnen noemen populair, zijn iets Multatuliaanse geest was daarvoor een beletsel. Wel werd hij algemeen bewonderd niet alleen om zijn knapheid doch ook om pedagogische kwaliteiten. Dat hij scherp waarnam wat in zijn leerlingen leefde, dit eigene tot ontwikkeling wist te brengen en tot grote activiteit vermocht te prikkelen, zodat een generatie van schilders ontstond, mogen we hem tot onvergankelijke eer rekenen"

- sierkunstenaar, illustrator van katholieke jeugdliteratuur en organisator van kunstleven in ons gewest: "Wij mogen hem bovendien huldigen als sierkunstenaar en als eerste onder de betere illustratoren van katholieke jeugdliteratuur. Ook als organisator van kunstleven in ons gewest. Graafland kan immers als oprichter van de Limburgsche Kunstkring (waaruit later door splitsing de Kunstenaarsvereniging "Limburg" ontstond) beschouwd worden. Lange tijd was hij van deze vereniging de bezielende leider en de dominerende figuur op haar exposities. Zijn invloed was zichtbaar, niet alleen bij zijn directe leerlingen".

De drijfveer van Graaflands schilderkunst

Robert Graafland lichtte tijdens twee exposities de drijfveer van zijn schilderkunst toe.

Op de eerste expositie, in januari 1937 in de Openbare Leeszalen te 's-Hertogenbosch, verklaarde hij in zijn dankwoord op de openingsrede door de burgemeester van 's-Hertogenbosch, baron F. van Lanschot:

"Als ik met mijn werk heb bijgedragen tot vermeerdering van het geluk der mensen en als ik - voorzover een kunstenaar een apostolische roeping heeft, al is het dan wat mij betreft nog zo weinig - iets heb kunnen openbaren van de schoonheid en reinheid van de Goddelijke Schepping, dan is mijn werk niet voor niets geweest."

Op de tweede expositie, in 1938 in de Dominicanerkerk te Maastricht (16), formuleerde hij het ietwat beknopter: "Ik acht mij beloond als mijn kunstwerken mogen bijdragen tot de vermeerdering van het levensgeluk der mensen."

En op 1 oktober 1938 schreef Graafland aan zijn vriend en collega Charles Hollman: "....... Je romantische aard verloochent zich gelukkig niet; want natuurlijk een beetje romantiek hebben wij in deze nuchteren, zakelijken tijd wel zeer noodig. Het spreekt vanzelf dat de tijdsomstandigheden invloed op kunstenaars uitoefenen, maar zeker is dat, hoe zakelijker en nuchterder de levensomstandigheden zijn, het verlangen naar romantiek in de menschen groeit. Romantiek is immers net zoo goed een levensvoorwaarde."

© Fr Graafland 2017


(1) Limburgsche wapens, Van Aelst, Maastricht, 1925

(2) Encyclopédie Héraldique / Heraldische Encyclopedie, W.P. Van Stockum & Zoon, Den Haag, 1932

(3) C. Pama: Heraldiek en Genealogie, een encyclopedisch vademecum, Het Spectrum (Prisma), 1969

(4) C. Pama: Heraldiek, Het Spectrum (Prisma), 1958

(5) Na de middag, door Mathieu Kemp, uit: de Bronk, juni 1957, 4e jaargang, no. 10

(6) Harry G.M. Prick: Petrus Johannes Kemp, De Engelbewaarder, p. 12, april 1980 / Pim de Vroomen, Verzameld Werk Pierre Kemp, deel III, p. 1368, september 1976

(7) Notulen 30 november 1899 en 26 november 1901

(8) Fred van Leeuwen: Het schilderen van Pierre Kemp, De Engelbewaarder, p. 123, april 1980

(9) Beschrijving interieur in een brief van een latere bewoonster van Villa Aldegonda, 28 mei 1995

(10) Maandnummer november / december 1992

(11) No. 1, 1919 / 1920

(12) Intervieuw door J. B. Deelen, arts, 1 maart 1937 te Vught

(13) Suzanna Graafland correspondeerde eveneens met Jan Engelman. Haar brieven die zich in het Letterkundig Museum bevinden handelen voornamelijk over Herman Gouwe

(14) Alle tentoonstellingen genoemd zijn gedocumenteerd in het Kunsthistorisch Documentatiebureau te Den Haag

(15) Email van Arti et Amicitiae op 17 augustus 2017


Top van bladzijde